Gewijzigde ontslag en wachtgeldregeling wethouders.
Na de raadsverkiezingen bleken vaak bredere colleges noodzakelijk. Om de kosten in de hand te houden, kozen veel colleges voor meer wethouders in deeltijd. Een aantal colleges van gelijkblijvende omvang kozen uit bezuinigingsoverwegingen eveneens voor werken in deeltijd.
Voor een nieuwe wethouder betekent een aanstelling in deeltijd een navenant salaris. Een herbenoemd wethouder die overgaat op een deeltijdaanstelling valt automatisch onder de ontslagregeling (ook wel bekend als wachtgeldregeling.)
Ontslagregeling ambtsdragers
Van minister tot Kamerlid, van dijkgraaf tot wethouder: voor alle politieke ambtsdragers is de ontslagregeling gelijk. Gemeenten mogen daar niet van afwijken.
Een wethouder kan ervoor kiezen af te zien van een uitkering, net als elke 'gewone' werknemer. Overigens werken wethouders met een deeltijdaanstelling in de praktijk fulltime!
Achtergrond
Werknemers hebben een ontslagregeling, politieke ambtsdragers ook. Ook een politiek ambtsdrager kan van het ene uur op het andere uur werkloos zijn. Verkiezingen leiden per definitie tot ontslag. En een politiek ambtsdrager kan van het ene moment op het andere het vertrouwen van de volksvertegenwoordiging kwijt raken.
Gewijzigde regeling
De ontslaguitkering is per 27 februari 2010 gewijzigd:
- De uitkeringsduur is verkort
- De sollicitatieplicht is van kracht geworden
- Planmatige begeleiding kan worden gegeven
- Het loopbaanprincipe is ingevoerd
De nieuwe regels gelden echter alleen voor nieuw benoemden. De spelregels kunnen 'tijdens de wedstrijd' niet worden veranderd.
Uitkering na ontslag
Na het aftreden ontvangt de wethouder, tenzij hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, een ontslaguitkering. Dit is geregeld in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa). De reden van ontslag is niet relevant. Het maakt dus niet uit of een wethouder ontslagen is als gevolg van de vorming van een nieuw college na de raadsverkiezingen, vanwege een tussentijdse vorming van een nieuw college waarbij de vorige wethouders ontslag hebben genomen of dat een individuele wethouder zelf ontslag heeft genomen of door de raad is ontslagen.
Met ingang van 27 februari 2010 zijn de uitkeringsregels voor nieuw te benoemen wethouders en wethouders die worden herbenoemd, gewijzigd. De uitkeringsduur is verkort, er is een sollicitatieplicht van kracht geworden, er kan planmatige begeleiding worden gegeven en het loopbaanprincipe is ingevoerd.
De uitkering voor wethouders die na de verkiezingen niet terugkeren, blijven gebaseerd op de oude bepalingen.
Oude regels
De uitkering die na beëindiging van het wethouderschap meestal wordt toegekend, duurt in principe even lang als het wethouderschap, met een minimum van twee en een maximum van zes jaar. Alleen als de ambtsvervulling ten hoogste drie maanden heeft geduurd bedraagt de uitkeringsduur zes maanden. Wanneer de wethouder bij zijn ontslag vijftig jaar of ouder is en hij het ambt tien jaar of meer heeft vervuld, wordt de uitkering zo nodig verlengd tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar.
Er is geen sollicitatieplicht en geen verplichte planmatige begeleiding.
Het loopbaanprincipe bepaalt de duur van de uitkering.
Nieuwe regels
De gewijzigde regels zijn van toepassing op alle wethouders die in de nieuw te vormen colleges worden benoemd. Dat is ook het geval als zij worden herbenoemd, met dien verstande dat er een overgangsrecht is voor wethouders die bij de onmiddellijke herbenoeming 50 jaar of ouder zijn.
De maximumduur is verkort van zes jaar naar vier jaar. De leeftijd voor de zogenaamde verlengde uitkering is verhoogd naar 55 jaar.
Iedere wethouder heeft bij aftreden een sollicitatieplicht tot 65 jaar, ongeacht of hij is herbenoemd of voor het eerst wethouder wordt.
Het loopbaanprincipe is bepalend voor de duur van de uitkering.
Hij heeft bij aftreden recht op planmatige begeleiding. Een wethouder kan vrijwillig deze ondersteuning aangaan. In dat geval krijgt hij deze vergoed tot een bedrag van 20% van zijn laatstverdiende salaris. De gemeente kan de begeleiding ook verplicht opleggen. In dat geval komen de kosten volledig voor rekening van de gemeente.
Loopbaanprincipe
Bepalend voor de duur van de uitkering zijn alle diensttijden die voorafgaande aan het politieke ambt waaruit men aftreedt zijn vervuld, met uitzondering van het raadslidmaatschap, het lidmaatschap van provinciale staten of van het algemeen bestuur van een waterschap of van de Eerste Kamer.
Wel tellen mee de dienstjaren als minister, staatssecretaris, Tweede Kamerlid, commissaris van de Koningin, gedeputeerde, burgemeester of wethouder. Voorwaarde is wel dat er tussen de verschillende ambten geen lange onderbrekingen zitten.
Overgangsrecht
Wethouders die onmiddellijk aansluitend worden herbenoemd in de eigen gemeente of een andere gemeente hebben, als zij op dat moment 50 jaar zijn, een overgangsrecht. Wanneer zij bij aftreden in de collegeperiode 2010 – 2014 een loopbaan hebben opgebouwd van 10 of meer nagenoeg aaneensluitende jaren, dan behouden zij het recht op een verlengde uitkering tot 65 jaar.
Hebben zij geen loopbaan van 10 of meer jaren opgebouwd, dan behouden zij het recht op een uitkeringsduur van 6 jaar.
Zij hoeven dus niet te voldoen aan de leeftijdseis van 55 jaar.
Hoogte van de uitkering
De hoogte van de uitkering bedraagt het eerste jaar 80% en daarna 70% van het laatstgenoten salaris vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. De uitkering wordt aangepast aan de algemene salarisontwikkelingen voor de sector Rijk.
Korting op de uitkering
Nieuwe of hogere inkomsten worden in beginsel op de uitkering in mindering gebracht. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen aangehouden inkomsten en inkomsten die meer dan een jaar voor het ontslag al werden genoten enerzijds en tussen inkomsten die binnen een jaar voor ontslag werden of na het ontslag worden verworven.
De eerste twee blijven ongemoeid, de laatste worden op de uitkering in mindering gebracht, voor zover de som van die inkomsten en de uitkering het laatstgenoten salaris overschrijden.
Onder inkomsten wordt ook begrepen de vergoeding voor de werkzaamheden (raadsvergoeding) die een gewezen wethouder ontvangt wanneer hij weer raadslid wordt. Ook deze wordt gekort, waarbij dezelfde systematiek wordt aangehouden als hiervoor.
